fbpx

Column Charlotte Beumer - september 2018

Deze oktober is het dus alweer twee jaar geleden dat ik mijn eerste, voorzichtige (lees: doodsbange) stappen zette op de helgroene mat van Helena.  Twee jaar mensen. Twéé.

Op één hand

In die afgelopen twee jaar zijn de trainingen die ik heb overgeslagen op één hand te tellen. Ik ga eigenlijk alleen níet als ik geen oppas heb, als ik bijna dood ben of als het buiten tweeënveertig graden is, wat ongeveer op hetzelfde neerkomt.
En ik overdrijf niet als ik zeg dat ik elke training opnieuw weer iets leer dat ik nog niet wist. Waar ik me nog niet van bewust was. Of wat ik nog niet kon.

IJsbeentje

Zo leerde ik bijvoorbeeld wat een ‘ijsbeentje’ is. En uit ervaring weet ik dus nu dat een ijsbeentje niet zo gezellig is als het klinkt. Dat een ijsbeentje dus niet iets is waarvoor je op een zwoele zomeravond na het eten met je kinderen nog even op de fiets stapt en waar je slagroom en sprinkles bij bestelt, maar dat een ijsbeentje te maken heeft met de spieren in je bovenbeen. En als die spieren hard genoeg geraakt worden, op exact het goede plekje, dat dan gewoon je hele been niet meer werkt.

‘DEKKING!’

Ik leerde ook dat mijn lijf vaak best wel gekke dingen doet, en dat ook nog eens totáál op eigen houtje. Sinds een paar weken geef ik elke maandag acte de présence in de Fightclub, een training die ik kort kan omschrijven als klappen krijgen op de zwoele tonen van heel verkeerde ballads uit de jaren ’90 terwijl Stephan ‘DEKKING! DEKKING! DEKKING!’ in je oren schreeuwt.
Elke maandagavond weer, als ik uitgewrongen en met een T-shirt dat verrassend snel naar grafzerk blijkt te gaan ruiken thuiskom, vraagt mijn vriendje ‘of het leuk was’.
Leuk is niet het woord.
Leerzaam, dat wel. 

Van-alles-en-nog-wat

Het punt is, tijdens krav-training en vooral tijdens Fightclub word ik voortdurend geconfronteerd met, nou echt, van alles-en-nog-wat.
Motorische vaardigheden.
Tactisch inzicht.
Out of the box-denken, of juist het gebrek daaraan.
Frustratieagressie.

Laat ik ze punt voor punt afwerken, we zijn er nou toch en van een beetje kwetsbaarheid is nog nooit iemand doodgegaan (behalve bij Fightclub, maar dat terzijde).

Motorische vaardigheden

Wat denk je? Mijn lichaam blijkt dus helemaal geen homogeen geheel te zijn, dat wordt aangestuurd door een centraal punt (mijn brein). Nee, mijn lichaam bestaat kennelijk uit allemaal losse eilandjes, afdelinkjes van ledematen, die allemaal hun eigen ding doen op hun eigen tijd.
Zo dénk ik dus de hele tijd dat ik mijn dekking hooghoud en dat mijn handen zich ter hoogte van mijn gezicht bevinden. Niets is echter minder waar, want zodra voornoemde Stephan ‘DEKKING!’ in mijn oor brult en ik hem een tikje beledigd van repliek wil dienen kan ik niets anders dan constateren dat mijn handen ergens ter hoogte van mijn navel lopen te bungelen.
Huh?
Hoe kan dat nou? Wat doen ze daar? Net hingen ze nog naast mijn kin, ik weet het zeker, want ik keek toch echt zojuist nog heel stoer tussen mijn gebalde vuisten door.
Zodra ik een trap of een stoot geef helikopteren mijn armen alle kanten op, blijken mijn voeten zomaar allemaal nerveuze en vooral onnodige schuifelpasjes te zetten en dat alles terwijl ik dénk te bewegen als een lean-mean-fightingmachine.

Leuk? Nee.
Leerzaam? Ja, best wel.

Tactisch inzicht

Ik ben er dus zo een die áltijd dezelfde trap geeft met áltijd hetzelfde been. Ja, ik ben een gewoontedier. Ja, ik bewandel de bekende paden. Dus ja, mijn frontkick komt met rechts. Altijd. Ook als mijn tegenstander dat allang zag aankomen en zijn keurig zijn knietjes gekruist heeft. En ik dus mijn wreven blauw trap, en letterlijk en figuurlijk geen bal raak. Ook dan.

Leuk? Neuh.
Leerzaam? Behoorlijk. 

Out of the box-denken, of het gebrek daaraan

“Maak drietallen. Nummer één heeft een kussen. Die is passief en werkt mee met nummer drie. Nummer twee moet het kussen aanvallen. Nummer drie moet dat dus zien te voorkomen. Voor elke keer dat nummer twee het kussen weet te raken, doet nummer drie een push-up. Oh ja, en je mag elkaar geen pijn doen. Go!”

Oké, nou, dat zijn behoorlijk heldere instructies. We stellen ons op, gaan klaarstaan en dan gaan we aan de slag. In mijn rol als aanvaller ben ik vrij content dat ik het kussen zes keer weet te raken, ook al staat de verdediger behoorlijk hard en irritant aan me te sjorren en maakt ‘ie zich zo breed mogelijk.
Ha. Zes push-ups voor jou, vriend.
Maar aan mijn gesmaal komt al snel een eind als ik in het rondje daarna de verdediger ben, en eindig met zesenveertig pus-ups op mijn conto. Meh.

Stephan loopt op zijn eigen, onnavolgbare wijze grijnzend rond en roept ons later weer bijeen.
“Wat was de regel?” vraagt hij.
“Elkaar geen pijn doen,” hijgen wij braaf in koor. Zo schattig. We zijn Stephans zweterige kleuterklasje.
“Inderdaad,” vervolgt hij. “Ik heb gezegd wat er niet mocht, namelijk elkaar pijn doen. Maar goed, dan blijft er dus nog een heleboel over wat je wel kan doen. Toch?”

Dat kwartje moest even vallen, maar inderdaad.
Als persoon één met kussen en al op zijn buik op de grond gaat liggen, of tegen de muur gaat staan, dan wordt het voor de aanvaller al een heel stuk moeilijker.
Want hij heeft niet gezegd dat dat niet mocht.

Met oldskool tikkertje als warming up mag je dus gewoon de kleedkamer induiken teneinde niet getikt te worden.
Want hij heeft niet gezegd dat dat niet mocht.

Ook al ben jij degene die wordt aangevallen, je hoeft natuurlijk niet op je aanvaller te gaan staan wachten. Nee, jij mag gewoon een defensive frontkick of een andere preventie doen. Of een natte spuugvinger in zijn oor proppen. Want hij heeft niet gezegd dat dat niet mocht.

‘Elkaar pijn doen’, wat uiteraard niet de bedoeling is in wat een veilige leeromgeving moet zijn, is maar een fractie van het scala van mogelijkheden dat je kunt toepassen.
Menn, wat een eye-opener. In, maar juist ook buiten de zaal.

Geconfronteerd worden met alle mogelijkheden die er zijn, onder je neus, in je directe omgeving, en ze toch niet zien of er niet opkomen om er gebruik van te maken.

Leuk? Mwah.
Leerzaam? Onwijs!

Frustratieagressie

“Jij wordt boos hè? Ik merk het aan je.”
Kennelijk is het ‘understatement-dag’, want ik sta briesend met mijn hoefjes over de vloer te schrapen terwijl ik mijn tegenstander ter plekke probeer om te leggen met de blik in mijn ogen. Verder breng ik alleen wat onsamenhangend gegrom voort.
Hij constateert het vrij droogjes en vlucht dan op een holletje weg (of dat wil ik graag geloven) omdat we nieuwe tweetallen maken.
En ja, ik ben inderdaad boos. Woest ben ik. Laaiend. Ik ben een Vesuvius-uitbarsting waiting to happen. En ik kan er geen kant mee op.
Ik ben zojuist honderddrieëntachtig keer voor m’n bek geslagen. Ik heb geen trap weten te blocken. Ik dacht steeds dat mijn dekking hoog was, maar dat was niet zo. Ik ben moe. En klam.
Ik voel me een totaalfaal.

Leuk? Hell no.
Leerzaam? Mega.

Huilend naar huis

Het heeft me enkele weken gekost om niet meer huilend naar huis te fietsen, dan wel thuis in huilen uit te barsten. Niet om de fysieke pijn, maar om wat het allemaal bij me losmaakt.
En weer viel er een kwartje, toen eindelijk tot me doordrong dat het hele doel van Fightclub NIET is om nooit meer klappen te krijgen, want die krijg je toch wel. Niet alleen ik, maar al die grote kerels ook.
Nee, het doel is om terug te vechten. Te accepteren dat die klap komt en vervolgens dubbel uit te delen wat je zojuist hebt ontvangen. Om de regie te behouden of zo snel mogelijk weer terug te pakken.
Om te blijven kijken. Naar je tegenstander. Naar de situatie. Om snel te handelen en de ruimte te zien die je wél hebt. Of het nu gaat om de gaten in de dekking van de tegenstander of in elke willekeurige situatie in het dagelijks leven. Hoe eng dat soms ook is.

Leuk? Euh…
Leerzaam? Zo, écht wel.

Het effect van Fightclub…

… ervaar ik als geen ander. Langzaam maar zeker word ik minder bang voor klappen. Minder bang voor mijn tegenstander. En buiten de zaal: minder bang voor conflicten, voor mensen, voor het leven.
En vooral: veel minder boos op mezelf.
Want ook al krijg ik die klappen, ik deel ze ook uit. Ik stá er maar wel mooi, terwijl ik ook al moeilijke-dingen-mijdend op de bank een ijsbeentje met slagroom en sprinkles had kunnen zitten weglepelen.
Ja toch? 

Over Charlotte:

Ik ben Charlotte, 38 jaar oud en moeder van Teddy (7jr.) en James (3jr.). Samen met onze geschifte kater Titus wonen we in Haarlem. Ik ben een taalkleier, een woordvormer, een copywriter en een verhalenfan. Ik schrijf, dus ik besta. Strijken vind ik stom en koken een uitdaging maar gelukkig kan ik beide tegenwoordig uitbesteden aan mijn verkering Joep. Dagelijks doe ik fanatiek aan peuterzeulen en kleutersjouwen en daarnaast is Krav Maga mijn lievelings.

Ik schreef en publiceerde twee boeken: ‘Zwanger, the true story’ en ‘Supermama’s, the true story’. And there’s more where that came from.

Aanmelden nieuwsbrief


Onze locaties

Haarlem

Gonnetstraat 7
2011 KA Haarlem

Alphen aan den Rijn

H. Dunantweg 1
2402 NM Alphen aan den Rijn

Officieel lid van:

Copyright © Trainingscentrum Helena
Volg ons