Column Charlotte Beumer - Elk stootkussen een verhaal

Ik ben dol op verhalen. Altijd al geweest.
Je kan mij met een gerust hart een hele dag op een drukbezochte plaats achterlaten. Geef me mensen, koffie en pen en papier onder handbereik en mijn hoofd doet de rest. Ik zie iemand lopen en mijn brein spint direct de draden van zijn levensweb.
Er is een reden voor dat ik ooit maatschappelijk werker wilde worden: want ik wilde mensen helpen met hun eigen moeilijke verhalen. Het was ook wel duidelijk waarom ik daarna doorleerde voor socioloog: want menselijk gedrag, hoe interessant is dát. Uiteindelijk werd ik schrijfster. En ik denk dat ik dat al helemaal niet meer hoef uit te leggen.

Plank vol met bundels

Natuurlijk heb ik zelf ook een verhaal. Wat zeg ik: ik heb een boek vol verhalen. Of nee, een bundel vol boeken. Of nee wacht, een plank vol met bundels.
En een van die verhalen gaat over een onzeker, motorisch uitgedaagd meisje. Een meisje dat gepest werd. Een meisje dat zich geen raad wist met dat lange lijf dat haar was toebedeeld. Een meisje dat een ziekte kreeg met zulke slechte prognoses dat ze misschien wel in een rolstoel zou eindigen. Een meisje dat zó vaak viel en zó vaak struikelde over haar eigen voeten en dat zó vaak lullige ongelukjes had, dat ze humor en zelfspot als afweermechanisme ging gebruiken. Want lachen is leven.

Na decennia vol met elleboogfracturen, gebroken tanden, klem komen te zitten tussen collegebankjes en valpartijen van zo’n beetje alle trappen in een straal van tien kilometer, ging het meisje op Krav Maga.
Heel Haarlem hield zijn adem in.
Dit kon nooit goed gaan. 

Nieuwe bundel

Zaterdag 17 februari. Tijd voor mijn P3 examen.
Veel te vroeg en met woest kloppend hart fiets ik naar Helena. Want een krav-examen is niet zomaar een examen. Het is zoveel meer. Het is een statement. Het is mijn nieuwe leven. Het is een nieuw verhaal voor een nieuw boek voor in een nieuwe bundel.
Bijna een uur voor tijd voeg ik me bij de andere examenkandidaten, die er zo te zien al een stief kwartiertje op hebben zitten daar beneden in de boks-zaal. We nemen alle technieken nog eens door. En nog eens. Nog een laatste keer. Dan nog een allerlaatste-laatste-keer en dan jaagt de klok ons naar boven. We halen collectief diep adem.
En dan beginnen we.

Doseren

Ik vergeet alle beslommeringen en dompel mezelf diep onder in een staat van opperste concentratie. Sharon, die het examen afneemt, wil ons zien schoppen. Dus we schoppen. Ze wil ons zien slaan en dus slaan we. Ik voel hoe ik begin te transpireren. Mijn wangen gloeien en ik voel nog meer dan anders dat ik leef.
Ik lééf!
Nico, die niet mee kan doen en aan de kant zit te kijken, maant me wanneer onze blikken kruisen met een handgebaar tot kalmte. Ik kijk naar de klok. Twintig minuten. Ik kan het niet geloven, maar we zijn pas twintig minuten bezig.
In dit tempo hou ik het nooit nog tweeëneenhalf uur vol.
Ik zal moeten gaan doseren. We zijn aangekomen bij de bear hugs en mijn maatje doet haar techniek. Keer op keer beland ik op de grond. En keer op keer sta ik weer op. Mijn scheenbeschermers lijken met elke beweging zwaarder te worden, tot ze aanvoelen als lood.

Focus

Ik beland in die staat van Zijn waarin ik moe ben, honger heb, verlang naar drinken en me desondanks scherper voel dan anders.
Focus.
Focus.
Focussssss.
Het woord ruist door mijn aderen, mijn hart pompt het met een bloedgang door mijn lijf.

Hangry

Tijdens een korte drinkpauze lurk ik mijn fles praktisch binnenstebuiten. Ik word langzaam hangry. De door Femmy meegebrachte druiven zijn op dat moment Het Lekkerste Dat Ik Ooit At.
We doen de highroll, de techniek die me nog maar enkele weken geleden slapeloze nachten gemarineerd in buikpijn op een bedje van doodsangst bezorgde.
Ik zou het nooit kunnen. Dat zou ik nooit leren. O god, Charlotte is aan de beurt, dat motorisch uitgedaagde schaap. Bel 112 maar vast. Laat de traumahelikopter paraat staan.
Ik neem een aanloop. Denk niet na. Spring. Doe de koprol. En daarna nog eens.
En dat was dan dat.

Waar is het mes?

Ik heb het warm. Voel me klam. Uitputting nadert maar steeds als ik denk dat ik niet meer kan, dan kan ik toch nog. Zombiegames. Tactisch nadenken, terwijl er geen tijd is om na te denken en het deel van je hersenen waarin je tactisch inzicht wordt geregeld allang is uitgeschakeld.
Om je aanvallers heen bewegen, niet ertussendoor. Je niet in een hoek laten dringen. Ze op één lijn zetten. Prioriteiten stellen. Een van de aanvallers heeft een mes, hou die in de gaten. Ik sla ze van me af. Ze blijven komen. Ik kijk rond. Dat mes, waar is dat mes? Daar. Daar is het. Schoppen. Trap ze van me af.
Het piepje klinkt. Ik neem het stootkussen over.
De volgende is aan de beurt.

‘SLOW FIGHT!’

Volgende ronde: slow fight. Aan mijn ‘fight’ is werkelijk helemaal niets meer ‘slow’. Sterker nog, ik heb de motorische controle van Bambi op het ijs. Mijn armen, die van elke vorm van besturing verstoken lijken te zijn, maaien in het rond en mijn ‘raak-wat-je-raken-kan’-modus maakt dat zelfs het uitgangspunt om het bij mijn eigen tegenstander te houden me moeite kost.
“Slów!” lispelt mijn tegenstander vochtig door zijn bitje. “Sló-hoooow!”
Oh ja. Slow fight. Langzaam. Vechten alsof je op de maan staat. Ik voel me alsof ik op weekendverlof ben van een instelling. Alsof ik van mijn paviljoen ben ontsnapt.
Onmogelijk dat dít er bad-ass uitziet.

Mascara, overal mascara

Dan ineens is het klaar. Zijn alle technieken aan bod geweest. Zit mijn mascara overal behalve op mijn wimpers. Zijn mijn wangen buitenspelende-kleuter-rood. Weigert mijn mond nog langer coherente zinnen voort te brengen.
We mogen heel eventjes pauzeren voordat de conditietest alle laatste beetjes energie, uithoudingsvermogen en levensvreugde uit ons zal persen. Doorgaan op je reserves, en daar de reserves van.

Awkward handjeklap

We zijn allemaal moe. Maar ook: we zijn allemaal geslaagd. Adrenaline klotst tegen de plinten. We doen klamme knuffels, we doen ongecoördineerde felicitaties waarbij de één een boks doet en de ander een high five met als resultaat zo’n awkward handjeklap. We zeggen dingen als ‘Pfff’ en ‘jeetje’ en ‘godsamme’ en ‘jaja’. Ik drink feest-koffie in de stad met mijn vriendje en kan alleen maar grijnzen. Op mijn laatste beetje geladenheid doe ik boodschappen waarna ik me thuis in een weldadig heet bad vol schuim laat zakken.
’s Avonds eet ik als een bootwerker en stort ik op een verjaardag na twee wijntjes grandioos in.

Traumahelikopter

Bij thuiskomst staar ik lang naar mijn diploma. Zo lang, dat ik echt in beweging moet komen voordat mijn spieren verstenen en ik mijn bed niet meer zal halen.
Later die week is mijn oom bij me op de koffie. We hebben het over het examen en ik grap over dwarslaesies en traumahelikopters.
Dan kijkt hij me aan en zegt, plots serieus: “Gaaf hoor. Want een paar jaar geleden had je die traumahelikopter wél nodig gehad.”

Een beetje gek

Blauwe plekken die tegenwoordig standaard deel uitmaken van mijn fysieke verschijning. Kneuzingen van allerhande lichaamsdelen. Zweepslag in mijn kuit. Een linker grote teen, die een jaar na een botsing met een scheenbeschermer nog steeds zijn oorspronkelijke mobiliteit niet terug heeft. Een rechterwijsvinger waarmee ik nog altijd geen noemenswaardige druk kan zetten.
Ik ken iemand die haar examen afmaakte ondanks een gebroken voet. En iemand die tijdens het omkleden mompelde: “Ja, dág, ik ga nu echt niet naar de dokter. Straks zegt ie dat ik geen examen mag doen met die enkel.”
Laatst, tijdens een training, wees ik iemand op de roestkleurige spetters op zijn shirt en vroeg: “Gaat het? Bloed je?”
Waarop hij omlaag keek en zei: “Oh. Nou, niet bewust.”

Why?

We rollen over elkaar heen als aangespoelde walvissen. We vallen elkaar aan en verdedigen onszelf net zo hard. We trappen en schoppen. Daarna bedanken we elkaar voor de fijne training.
Ben ik soms een beetje gek geworden?! denk ik weleens. Waarom doe ik dit?
Het antwoord dient zich elke training opnieuw aan. Omdat de kracht en gevechtsbereidheid tegenwoordig door mijn poriën naar buiten lijken te sijpelen. Daarom.

Sterker tussen je oren

Misschien ben ik inderdaad een beetje gek. Misschien zijn we dat allemaal wel. Maar aan de andere kant, misschien hebben we allemaal gewoon wel een bundel vol verhalen. Met dat ene verhaal dat het zetje geeft, de doorslag.
Dat verhaal dat maakt dat je krav maga gaat beoefenen. Om iets te verwerken. Om sterker te worden. Niet alleen qua spierballen, maar vooral tussen je oren. Want als je alleen een paar kilo kwijt wil om je muffintop te temmen, dan ga je wel naar zo’n lowbudget fitness-hut. Toch?

Middelvinger

Voor mij is elk examen weer een vaarwel aan mijn comfortzone. Elke koprol staat symbool voor al die dingen waarvan ik mezelf verteld heb dat ik ze eng vind, niet kan of niet durf.
En elke streep op mijn broek is een middelvinger naar de pesters van toen. De dokters van toen. De klootzakken die er nu eenmaal zijn.
En een nieuwe spierbal, op alle fronten.

Over Charlotte:

Ik ben Charlotte, 37 jaar oud en moeder van Teddy (6jr.) en James (3jr.). Samen met onze geschifte kater Titus wonen we in Haarlem. Dagelijks schrijf ik met liefde mijn vingertoppen schraal, want dat vind ik een van de allerleukste en fijnste dingen om te doen. Ik ben een geluksvogel dat ik, als tekstschrijver, van mijn hobby mijn werk heb kunnen maken. Strijken vind ik stom, en koken een uitdaging. En mijn grote liefde, dat is Krav Maga.

Charlotte is auteur van het boek ‘Zwanger, The True Story’. Haar nieuwste boek ‘Supermama’s, The True Story’ ligt sinds kort in de winkel!

Aanmelden nieuwsbrief


Onze locaties

Haarlem

Gonnetstraat 7
2011 KA Haarlem

Alphen aan den Rijn

H. Dunantweg 1
2402 NM Alphen aan den Rijn

Officieel lid van:

Copyright © Trainingscentrum Helena
Volg ons